De SCP heeft zich voor de nacht teruggetrokken in het met groen omcirkelde huis op de kaart van Omu. Terwijl de groep zich klaarmaakt om te rusten, houdt Nokk – hoe kan het ook anders – de wacht. Vanuit het raam ziet hij beweging in de schemering: twee kronkelende, slangachtige gestalten glijden geruisloos door een corridor aan de zuidzijde, recht op hun schuilplaats af. Zijn ogen vernauwen zich. Een ogenblik later ziet hij er nog drie, die zich soepel langs de rotswand naar beneden laten zakken.
Nokk voelt onmiddellijk dat dit geen toevallige voorbijgangers zijn. Hij grijpt naar zijn boog, spant het koord, en laat een pijl los. Met een dodelijke precisie doorboort hij de eerste slangachtige, die nog niet eens de kans krijgt te sissen voordat hij neerzijgt. Het verrassingselement werkt in hun voordeel. Nokk wekt zijn metgezellen: Wulfgar en Dradimir schieten meteen overeind, klaar voor de strijd. Flaw en Corrin zijn nog half in dromenland, maar de urgentie maakt hen snel wakker.
De vijanden blijken geen partij voor de SCP. Binnen enkele ademhalingen liggen er vijf slangenachtig gedrochten levenloos op de grond. Terwijl het laatste wezen met zijn laatste adem lucht hapt, sist het in gebroken Draconic:
“Dendar… redt mij…”
Een koude rilling trekt door de groep. De lijken worden naar een ruïne naast het huis gesleept. Bij het doorzoeken vinden ze nog een waardevolle boog, met vakmanschap gesmeed, goed voor 250 goudstukken. Deze verdwijnt snel in de Bag of Holding. De rust keert terug, en de groep vervolgt ongestoord hun lange rust.
De volgende ochtend zetten ze hun verkenningstocht door Omu voort. Hun blik valt op een ommuurde compound ten noorden van hun kamp. Voor de compound liggen enkele ruïnes, verlaten en zonder waardevolle vondsten. Toch hangt er in de lucht een misselijkmakende geur – alsof er vlees op een brandstapel geroosterd is, maar dan te ver aangebrand.
Met behulp van zijn Spider Climb beklimt Nokk de muur en werpt een blik naar binnen. Wat hij ziet, doet zijn maag samenknijpen: een smeulend kampvuur met daarop een stapel slangachtige lichamen, identiek aan de vijanden van de vorige nacht. Rondom het vuur staan totems, versierd met hun afgehakte koppen. En verspreid over de compound liggen menselijke resten – lichamen, half aangevreten door hongerige honden.
De rest van de groep besluit via de oostelijke ingang binnen te treden. Aan de muur van een nabij gebouw zien ze een angstaanjagend symbool geschilderd: een slang die zichzelf in de staart bijt. Flaw herkent het onmiddellijk, zijn religieuze kennis geeft hem kippenvel.
“Dendar, de Night Serpent. Verslinder van de wereld.”
Het sinistere teken hangt in de lucht als een onheilspellende waarschuwing. Vanuit het middelste gebouw aan de zuidzijde klinkt gedempt gemurmel. De groep beweegt behoedzaam dichterbij. Binnen is het donker, het ruikt naar rook en rottend vlees. En dan—een onverwachte ontdekking.
Onder een hoop ingestort puin klinkt gekreun. Met gezamenlijke kracht werken de avonturiers stenen en balken weg, tot een gehavende man zichtbaar wordt. Hij stelt zich met gebroken stem voor als Orvex Ocrammas. Zijn kleren zijn gescheurd, zijn lichaam zit vol blauwe plekken en sneden. Hij is nauwelijks meer dan een hoop ellende.
Dradimir knielt naast hem neer en legt een hand op zijn borst. Een warme gloed omhult de man. Zijn ademhaling stabiliseert en zijn wonden sluiten langzaam—18 levenspunten keren terug.
Zodra hij weer kan spreken, vertelt Orvex wat hem is overkomen. Zijn groep van twaalf huurlingen was overvallen door een horde slangachtigen. Hij is de enige die het heeft overleefd. Maar er is meer: Orvex onthult dat hij geen gewone huurling is. Hij is een assassin, ingehuurd door de Red Wizards of Thay.
En die Red Wizards? Die werken in opdracht van niemand minder dan Valindra Shadowmantle, de lich die de groep al eerder in het Heart of Chult is tegengekomen. Hun missie: een machtig artefact opsporen in de Temple of the Nine Gods.
Maar toegang tot die tempel is niet eenvoudig. Orvex legt uit dat er eerst negen kleinere tempels moeten worden bezocht. In elk bevindt zich een uitdaging—een puzzel, een test—waar een sleutel verborgen ligt. De sleutels zijn kubussen, noodzakelijk om de poorten van de grote tempel te openen. Orvex bekent dat hij al drie van deze tempels heeft gevonden… maar tot nu toe geen enkele cube wist te bemachtigen.
De eerste tempel
Met de kaart bij de hand wijst Orvex de dichtstbijzijnde tempel aan, ten oosten van de compound. Bij aankomst ontdekken ze een grote vijver voor de tempel, bezaaid met stapstenen. In het water ligt een omgevallen obelisk en staat een beeld van een reusachtige kikker. Corrin merkt dat er iets glinstert in de open bek van het beeld—een sleutel.
Maar vlakbij rijzen drie oogstelen uit het water. Dan scheurt de vijver open en een Froghemoth torent boven hen uit. Een kolossaal, slijmerig monster, een nachtmerrie uit de diepten.
De strijd barst los. De SCP vecht met alles wat ze hebben. Pijlen, spreuken, staal en zweet vliegen in het rond. Toch wordt Dradimir tijdens het gevecht met zijn tong gegrepen en met een natte, walgelijke klap in één hap verzwolgen. Het monster schudt zijn kop en lijkt even triomfantelijk.
Maar de kracht van de groep is te groot. Met vernietigende aanvallen wordt de Froghemoth geveld. Hij stort ineen, zijn gigantisch lijf terug het water in. Met een laatste schokgolvende beweging braakt hij Dradimir uit—levend, maar druipend en glibberig, plat op de grond.
De sleutel uit de bek van de kikker opent de tempeldeur. Binnen wacht een verraderlijke constructie. De muren zijn versierd met tientallen kikkerhoofden, de vloer dertig voet lager volgestoken met spikes. Enkel smalle balken steken uit de muren—een levensgevaarlijk parcours.
Aan de overzijde schittert een kubus, geplaatst voor een muurschildering van een monsterlijke kikker in gevecht met een kraanvogel.
Nokk, vertrouwend op zijn Spider Climb, kruipt langs de muur en bemachtigt de kubus. Maar zodra hij hem optilt, sist er een mechanisme open. Giftig gas stroomt de ruimte binnen, en de deur valt met een dreun dicht.
In de chaos weet Nokk via de muur terug te keren, terwijl Corrin koelbloedig zijn lockpicking-tools gebruikt om de deur weer te openen. Samen ontsnappen ze, de kubus stevig in handen.
Buiten stelt Flaw de logische vraag:
“Orvex… dit is er één van, toch?”
Orvex knikt ernstig. “Ja. Dit zijn de cubes die Valindra zelf beschreef.”
Op weg naar de tweede tempel
Met de eerste overwinning achter de rug trekt de SCP verder, richting de zuidzijde van Omu. Onderweg horen ze tromgeroffel en vreugdekreten—een feest, ergens in de verte. De groep besluit wijs te zijn en het geluid in een wijde boog te vermijden.
Bij hun volgende bestemming stuiten ze op een indrukwekkend beeld. Een panterachtig wezen, gehouwen uit steen, met zes armen die als tentakels uit zijn schouders steken. De tweede tempel wacht.
Einde sessie
+1600 XP

